
Eergisteren stonden ze daar, breed glimlachend op het bordes van Paleis Huis ten Bosch: de kersverse ministers van het nieuwe Nederlandse kabinet van D66, VVD en CDA, die ook de nieuwe ministers van de Rijksministerraad vormen, aldus Kabinet-Jetten onder leiding van goede vriend Rob Jetten. Een nieuw regeerakkoord, getiteld Aan de slag, is gepresenteerd en een nieuwe politieke werkelijkheid is aangebroken. Maar terwijl de champagne in Den Haag vloeide, stelde ik mezelf in Willemstad de vraag: wat betekent deze nieuwe start daadwerkelijk voor ons, voor Curaçao en voor de toekomst van ons Koninkrijk?
Wanneer ik de originele eerste pagina van ons Statuut uit 1954 voor me zie, het document dat de basis vormt van ons samenleven, springen de woorden van de Preambule direct in het oog. Er staat haarscherp geformuleerd dat Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen uit vrije wil verklaard hebben in het Koninkrijk der Nederlanden een nieuwe rechtsorde te aanvaarden, waarin zij op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen verzorgen en wederkerige bijstand verlenen. Dat beeld van dit historische document herinnert me er telkens weer aan waar de oprichter van mijn partij, dr. Moises Frumencio Da Costa Gomez, zo hard voor heeft gestreden: de emancipatie van ons volk en het werkelijk baas in eigen huis zijn.

Maar hoe verhoudt die inkt van zeventig jaar geleden zich tot de beleidsvoornemens van vandaag?
Laat ik positief beginnen. Het nieuwe coalitieakkoord biedt economische kansen die we met beide handen moeten aangrijpen. De oprichting van een Economisch Groeiplatform Carib en de toegang tot de miljarden van de nieuwe Nationale Investeringsinstelling onder gelijke voorwaarden, zijn krachtige instrumenten. Dit sluit naadloos aan bij mijn roep om economische diversificatie: in technologie, duurzame energie en hoogwaardige dienstverlening, zodat we minder kwetsbaar worden voor wereldwijde schokken en de braindrain van ons jonge talent kunnen stoppen.
Toch proef ik ook een dubbelzinnigheid in de plannen uit Den Haag. Het voornemen om de onafhankelijkheidsoptie expliciet in het Statuut te verankeren, klinkt als het “ultieme respect” voor ons zelfbeschikkingsrecht. Maar we moeten waken voor cynisme: is dit een oprechte erkenning van onze autonomie, of is het een uiting van Haagse Koninkrijksmoeheid en een makkelijke uitweg om verantwoordelijkheden af te stoten?
Mijn antwoord is helder: wij moeten niet gehaast zoeken naar de uitgang. Uit onafhankelijk sociaalwetenschappelijk onderzoek en de recente analyse van de Raad van State rond 70 jaar Statuut blijkt dat daar onder onze bevolking amper draagvlak voor is. Ons doel moet niet zijn om de banden te verbreken, maar om de belofte van gelijkwaardigheid uit de Preambule van het Statuut eindelijk in de praktijk af te dwingen.
Want die gelijkwaardigheid ontbreekt nog te vaak. Ik heb het eerder gezegd: ik mis regelmatig de genegenheid in de manier waarop we met elkaar omgaan, als broers in het Koninkrijk. In plaats van broederschap kregen we in het verleden te vaak dictaten opgelegd, met het financiële mes op de keel. Dat wantrouwen moet doorbroken worden.
Dat begint bij het dichten van het democratisch deficit. Het is toch onbestaanbaar dat het Haagse akkoord nog een keer wel de drempels voor de Europese verkiezingen wil verlagen, maar waar blijft bijvoorbeeld de onafhankelijke geschillenregeling, het noodzakelijke sluitstuk dat voorkomt dat het eurocentrisme altijd het laatste woord heeft op basis van een numerieke meerderheid? Zolang we daar geen volwaardige stem hebben, is de gelijkwaardigheid uit Artikel 1 van dat prachtige Statuut een dode letter.

Mijn afscheid van de Staten was slechts een strategische pauze. De strijd gaat door, maar we moeten die ook op eigen bodem voeren. We moeten onze eigen bestuurlijke integriteit versterken, want alleen een overheid die transparant en betrouwbaar is, dwingt respect af, zowel bij de eigen bevolking als overzee. We moeten blijven investeren in onze jeugd en professionals, bijvoorbeeld door structurele politieke stageprogramma’s tussen Den Haag en Willemstad op te zetten. Alleen zo bouwen we aan een nieuwe generatie leiders die de brug kan slaan tussen onze twee werelden.

De nieuwe ministers staan inmiddels weer binnen, de bordesfotos zijn gemaakt, Kabinet Jetten gaat aan de slag. Het echte werk begint nu. Laten wij op Curaçao klaarstaan. Niet als een afhankelijke of wrokkige partner, maar als een zelfbewust, autonoom land dat de tekst van ons Statuut letterlijk neemt. Steunend op eigen kracht, met de onvoorwaardelijke eis tot gelijkwaardigheid, en ja, nog altijd met de wil om elkander bij te staan.
— EINDE —
[Meer informatie over]

Gwendell Mercelina Jr. – is een voormalig lid van het parlement van Curaçao (2021-2025) met een diverse achtergrond die service management, advisory, consultancy, media, communicatie en rechten omvat. Hij is een voorvechter van mensenrechten, oprichter van de WE LEAD Foundation en is mede-oprichter van The Parliamentary Observatory on Climate Change and Just Transition (OPCC), lid van organisaties zoals Parliamentarians for Global Action en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. Mercelina heeft zich sterk gemaakt voor openbare dienstverlening en gemeenschapsontwikkeling, en heeft leiderschap getoond in mensenrechten, duurzaamheid, innovatie, jeugdontwikkeling, arbeid en onderwijs, en heeft een bewezen succesvolle staat van dienst in het stimuleren van initiatieven die Curaçao en Het Koninkrijk ten goede komen.
g.mercelina@gmail.com | +5999-513-0101
Discover more from WENSHOW
Subscribe to get the latest posts sent to your email.
